De Selk’nam

only available in Dutch

Voor het Nederlands Studenten Kamerkoor schreef ik de compositie Antes del Hain, op een libretto van de Chileense dichter Nicolás Eduardo Barría González. In het werk verkennen Nicolás en ik de mysterieuze matriarchale voorouders middels een onderzoek naar het belangrijkste ritueel van de Selk’nam: de Hain. Het is een compositie die de magie weerspiegelt uit de mythologie van de Selk’nam, van een niet-patriarchale mensheid.

Het werk wordt uitgevoerd in Februari en Maart 2018, samen met 11 anderen werken, door het Nederlands Studenten Kamerkoor onder leiding van de Belgische dirigent Kurt Bikkembergs. Het thema van het project is Oorlog en Vrede, geïnspireerd op het gelijknamige werk van Lev Nikolajevitsj Tolstoj.

Concerten
16-2 Rotterdam, 17-2 Tilburg, 18-2 Maastricht, 23-2 Leiden, 24-2 Nijmegen, 25-2 Groningen, 1-3 Wageningen, 2-3 Utrecht en 3-3 in het Concertgebouw te Amsterdam. Kaarten zijn te koop via deze link.


DE SELK’NAM
Bij het schrijven van de tekst en de muziek lieten Nicolás en ik ons inspireren door de leefwijze en mythologieën van de Selk’nam, een uitgestorven inheems volk uit de Patagonische regio van Zuid-Amerika. Hieronder geef ik enkele achtergronden over de leefomgeving, geschiedenis en mythologie van de Selk’nam. De belangrijkste bron hierbij zijn de antropologische onderzoeken van etnoloog Anne Chapman (1922 – 2010).

Tierra del Fuego
Tierra del Fuego is een archipel in het zuiden van Zuid-Amerika. De naam (Vuurland) is bedacht door Ferdinand Magellaan (1480 – 1521), die als eerste Europeaan door de naar hem vernoemde zeestraat voer en grote vuren zag branden op de eilanden. Deze vuren bleken van het Yahganvolk te zijn, die de bijnaam ‘kano-indianen’ kregen, omdat ze veel tijd op doorbrachten op zee.

De trein naar dit gedeelte van Zuid-Amerika heeft de naam El Tren del fin del Mundo; de trein aan het eind van de wereld. Het landschap van Tierra del Fuego is erg ruig met meren, rivieren, gletsjers, ijzige bergen en een snijdend scherpe wind. De wind is zelfs zo sterk dat de takken van de spaarzame bomen maar naar één kant kunnen groeien. Deze bomen worden ‘flag-trees’ genoemd. Het land bestaat voor het grootste gedeelte uit dor gras waar slechts schapen zich mee kunnen voeden. De zomers zijn er kort en koud, de winters lang en nat.

Typerende zoogdieren in het gebied zijn de guanaco (een wilde lama), vossen en konijnen. Er komen ook veel vogels voor zoals bergbeekeenden, Magelhaenparkieten, Machelhaenspechten, Andescondors (uit de familie ‘Gieren van de nieuwe wereld’), de kuifcaracara, de reuzenbooteend, de vuurkroonkolibrie en de wenkbrauwalbatros. De rivieren zitten vol met forel en zalm en op de kliffen zijn pinguïns en zeeleeuwen te zien.

Vandaag de dag is Tierra del Fuego voornamelijk een economisch wingebied voor visvangst, gas- en oliewinning en ecotoerisme. Maar dat is natuurlijk niet altijd zo geweest; voordat het gebied door de Europeanen werd gekoloniseerd leefden er vooral Native Americans, zoals het Yahganvolk. Dit volk leefde in adamskostuum en beschermde zich tegen de kou door zich in te smeren met dierenvet. Toen ze later van de Europanen kleren moesten dragen werden ze spontaan ziek, omdat de kleren en vochtig bleven.

Het Yahganvolk leefde voornamelijk van de zee; de vrouwen doken vis en mosselen op. Vrouwen hadden dan ook een groot aandeel in het overleven van de stam. Ze waren vaak forser gebouwd dan de mannen en deden het zware werk. Toen er door blanke kolonisten goud en grasland voor de schapen werd gevonden, dolven de Yahgan samen met hun buurvolkeren, de Alakaluf en de Ona, het onderspit. Ze werden afgeslacht of overleden aan de door de Europeanen meegenomen ziekten. Dit gebeurde aan het eind van de 19e een begin van de 20e eeuw.

De Selk’nam
De Selk’nam, ook bekend als de Onawo of Ona, was een inheems volk dat leefde in de Patagonische regio van Argentinië en Chili, waaronder de Tierra del Fuego archipel. Ze waren het laatste inheemse volk dat werd ontdekt door de Westerse wereld, laat in de 19e eeuw. Niet lang erna waren ze uitgestorven. In 1896 leefden er naar schatting 3.000 Selk’nam, in 1919 waren het er nog maar 279.

Goudzoekers, veehouders en boeren uit Argentinië, Chili, Amerika en Europa wisten het volk in korte tijd te laten uitsterven. Grote bedrijven onder aanvoering van de Roemeen Julius Popper huurden militairen in en schreven beloningen uit voor iedere gedode Selk’nam. De Selk’nam konden leven van de jacht op met name de guanaco (een soort lama) en vossen.

Maar waarom moesten de Selk’nam dood? Naast de culturele context (de inheemse volkeren werden in die tijd stelselmatig als minderwaardig behandeld) beruste de afslachting ook op een vervelend misverstand.

Toen alle guanaco door de nieuwe volkeren waren neergeschoten en hadden plaatsgemaakt voor schapen, gingen de Selk’nam op noodgedwongen op de schapen jagen. Ze waren onbekend met het concept van landsbezit en het bezit van dieren. En dus joegen ze op de schapen, waarmee ze de veehouders tegen zich in het harnas jaagden. De Roemeense ingenieur en ondernemer Julius Popper loofde een pond beloning uit voor elke Selk’nam die gedood werd en wie niet werd vermoord stierf wel van de door de Europeanen meegenomen ziektes. Elf mensen van het Selk’namvolk werd meegenomen naar Europa om tentoongesteld te worden in de ‘human zoos’. Slechts één van hen overleefde dit mensonterende fenomeen.

In 1889 vierde Parijs 100 jaar vrijheid, gelijkheid en broederschap. Naast het bouwen van de Eiffeltoren was er nog een attractie, die 28 miljoen bezoekers trok: het ‘Negerdorp’, met 400 Afrikaanse mensen, die werden tentoongesteld. De elf Selk’nam die werden getransporteerd naar Europa, stierven in soortgelijke ‘Human zoos’.

De Selk’nam kunnen worden gezien als een klassiek voorbeeld van een traditionele jagers-verzamelaars cultuur; rijk, levendig en perfect aangesloten op de natuurlijke omgeving. De laatste generaties van Selk’nam waren de tragische getuige van de meedogenloze uitbreiding van het kapitalisme in Zuid-Amerika.

De mythologie van de Hain
De ideologie van de Selk’nam wordt misschien wel het meest duidelijk in de mythologie van de Hain. In het tijdperk van de Hoowin’ (mytische tijd) regeerden de vrouwen over de mannen, zonder genade. Ze verplichtten de mannen niet alleen om te jagen en om alle noodzakelijke behoeften voor het leven te verkrijgen, maar ook om de kinderen te verzorgen en de huishoudelijke taken te doen.

De mannen leefden in grote angst en onderdanigheid. Als er iets te bespreken was kwamen de vrouwen bij elkaar in de hut, terwijl de mannen buiten moesten blijven. Enkel de vrouwen maakten besluiten en gaven instructies, mannen moesten doen wat hen werd opgedragen en waren compleet afhankelijk van de vrouwen.

Omdat de mannen fysiek sterker waren, leefde de vrees onder wijze vrouwen dat de mannen op een dag zouden rebelleren. Om dit te voorkomen initieerden de vrouwen een geheime bijeenkomst. Terwijl de mannen druk waren het huishouden op orde te krijgen, kwamen de vrouwen bijeen in een grote hut (de Hain), die verboden terrein was voor mannen.

De meest extravagante figuur in de mythologiën van de Selk’nam was Kreeh (Maan). Niet alleen was ze een shaman met een gigantisch overwicht en de onbetwiste leider van de vrouwen (en daarmee dus ook van de mannen); ze regiseerde en bepaalde ook alles tijdens de viering van de Hain. Ze was zo machtig dat ze zelfs in de ‘hedendaagse’ tijd van de Selk’nam als enige onder de vrouwen respect afdwingt en angst oproept – vooral wanneer ze een zonsverduistering veroorzaakt. Tijdens haar bewind vervulde haar man Krren (Zon) de bescheiden taken die het lot symboliseerden van zijn geslacht. Ook hij was een shaman, net als zijn broer Shénu (Wind), de broer van Maan Hosh (Sneeuw), Kox (Zee) en de broer van laatstgenoemde Chálu (Regen).

Belangrijke shamanen in de mythologie van de Selk’nam
Kreeh Godin van de Maan Xalpen Godin van de Onderwereld
Krren God van de Zon Shénu God van de Wind
Hosh God van de Wind Kox God van de Zee
Chálu God van de Regen

 

Van tijd tot tijd besloot Maan dat er een Hain zou worden uitgevoerd, om de jonge vrouwen in te wijden in het volwassendom. De Hain werd ook uitgevoerd om de mannen te misleiden in het geloof dat de geesten zo wispelturig en krachtig waren dat iedereen met hun in genade was, waaronder de vrouwen zelf. Sommigen van de geesten (zo werd aan de mannen verteld) ontwaakten uit het diepste van de aarde tot in de grote hut om deel te nemen aan de ceremonie, terwijl andere geesten neerdaalden vanuit de hemelen gedurende de nacht.

De nederlaag van de vrouwen
Op een dag hoorde Krren (Zon), die een guanaco naar de Hain hut wilde brengen, twee jonge vrouwen praten. Ze waren onderdelen van de ceremonie aan het oefenen, giechelend om het plezier dat ze zouden hebben bij het om de tuin leiden van de mannen. Zo ontdekte Krren de waarheid: de ceremonie was een hoax om de mannen onder de duim te houden. Hij snelde terug naar de mannen in het kamp en vertelde hen het nieuws.

Woedend renden de mannen op de Hain af en staken ze de vrouwen met speren en messen. Het werd een bloedbad: de mannen vermoordden hun eigen vrouwen. Zon bracht zelfs zijn prachtige dochter Tamtam om het leven. Eén man zette zichzelf te schande door de dode lichamen te misbruiken. Maar toen de andere mannen zagen wat hij aan het doen was waren ze zo verbolgen dat ze ook hem vermoordden. De boosdoener werd veranderd in de ibisvogel met een rode pleister op zijn keel, die op een open wond lijkt. Zo draagt hij nog altijd het teken van de dodelijke wond die hij heeft ontvangen voor zijn buitensporige daad. De slachting eindigde pas toen op één na alle vrouwen en meisjes dood op de vloer van de Hainhut lagen, bedekt met bloed.

Krren (Zon) durfde zelfs zijn eeuwige vrouw en de machtige shaman Kreeh (Maan) aan te vallen. Maar terwijl hij haar te lijf ging, schudden de hemelen gewelddadig. Bevreesd dat de lucht op de aarde zou storten en de aarde zou verpletteren stopte hij uiteindelijk met slaan. Onder zijn geweld was Kreeh met haar gezicht naar beneden op de randen van de aarde gevallen. Het gerucht gaat dat Hosh (Wind), de broer van Krren, Kreeh had aangevallen met een brandende fakkel, terwijl niemand van de andere mannen haar had durven slaan. Met een heftig gezicht steeg Kreeh op naar de hemelen. Krren zou haar voor eeuwig blijven achtervolgen maar nooit te pakken kunnen krijgen. En Kreeh zal voor altijd op de aarde neerkijken met aangetast gezicht en littekens van de wonden van de grote opstand. Haar vijanden, de mannen, zal ze nooit vergeten en haar zoektocht naar wraak duurt eeuwig voort.

Maar de mannen wonnen de grote strijd. Alle vrouwen waren geslacht of verbannen. Sommige kinderen waren zo geschokken dat ze het bos in vluchtten, verdwaalden en enkele overleefden met het eten van paddestoelen, wortelen en bessen. Na verloop van tijd groeide er haar over hun lichaam, verloren ze hun spraak en werden ze ‘Joshils’, die tot op de dag van vandaag jagen in het bos. Van het vrouwelijk geslacht bleven alleen de onschuldige kleine meisjes en baby’s over die niet wisten van het verraad van hun moeders en zusters. De mannen en kinderen begonnen een lange tocht naar Maaj-kum, naar de verstre grenzen van het universum, treurend om de vrouwen. Ze trokken naar het oosten, Wíntek, en van daaruit naar het noorden, Kámuk, het westen, Kenénik en tenslotte het zuiden, Kéi-kruk, om daarna terug te keren naar de aarde. Bij aankomst was het winter geworden. De mannen vroegen zich af hoe ze de baas konden blijven over de vrouwen, ook als die volwassen zouden worden. Ze besloten zelf een geheim genootschap te beginnen, de Hain hut van de mannen.

De tragedie van Kreeh (Maan)
Iedere maand herstelt Kreeh een klein beetje van haar vreselijke nederlaag. Haar woede en haar honger stijgen als ze groeit. Als Kreeh vol aan de hemel staat is zij de onbetwiste minnares van de nachtelijke hemel, zoals zij van de aarde was in het tijdperk van de oude heerschappij. Maar haar gezicht blijft steeds gestreept met de littekens van het kostbare overtreding die haar man Krren heeft gepleegd.

Kreeh háaten betekent ‘de maan is woedend’. Als de maan rood gloeit aan de horizon en als ze juist compleet verduistert is, dan weten we het opnieuw: de maan is woedend. ‘Kijk niet naar de maan als ze vol is’, zo zeiden de mannen tot hun kinderen. ‘Je zou zo je bewustzijn kunnen verliezen of dood neer kunnen vallen: zo sterk zijn haar donkere krachten.’ ‘Zie je de littekenen op haar gezicht? Ze heeft ze verdiend! Kreeh is de grootste vijand van de man!’ zo sprak een van de shamanen. ‘Ze schuilt nu voor haar man Krren, maar hij zit nog altijd achter haar aan!’ De mannen en vrouwen bleven voor eeuwig bevreesd voor de wraak van Kreeh. Ze maakten dansen en rituelen voor de maan en zongen liederen in de hoop dat ze geen wraak zou nemen op het volk. Veel van de teksten in de liederen portretteerden Kreeh als iemand die de mens haat, nooit wordt ze bezongen als liefhebbende vrouw.

Betekenis van de Hain
De rijkdom van de Hain ceremonie en de onvolledige wetenschap hierover brachten ethnologe Anne Chapman tot de conclusie dat een poging tot volledige duiding van de symbolieken onmogelijk is. De Hain was slechts een microcosmos in het universum van de Selk’nam.

De Hain (zoals uitgevoerd door de mannen) had vier hoofddoelstellingen: om de jonge mannen in te wijden, om de vrouwen discipline en overgave bij laten brengen, om focus te brengen in het sociale leven en om het ‘religieuze’ waar te nemen. Ieder individu in de gemeenschap van de Selk’nam werd gerelateerd aan dit complexe en fantasierijke bouwwerk en de daarmee samenhangende mythologische en shamanistische kennis van de ‘hemelen’ (divisies van het universum) en ‘aarden’ (gebieden waarmee iedereen als onderdeel van hun dagelijks bestaan werd geïdentificeerd).

Sacrale en profane codes van de Hain
De rituelen van de Hain maken gebruik van twee symbolische codes of semantische systemen, waarvan de ene sacraal is en de ander profaan. In termen van de sacrale code, speelden de ‘acteurs van de Hain’ niet alleen de rol van de geesten, maar ook van de heilige Hoowins (mythische voorouders). Zo representeren de zeven Shoorts (geesten) ieder een van de grote shamanen die de oprichters waren van de eerste mannelijke Hain. Iedere Shoort vertegenwoordigde een van de zeven kanten van de hut. Ze inspireerden tot de traditie dat iedere Shoort een van de zeven kanten van de hut vertegenwoordigde.

De heilige code wordt ook in de mythe van de matriarchie (dominantie van de vrouwen) geïllustreerd wanneer Krenn (Zon) de hoax van de vrouwen ontdekt en Kreeh (Maan) een Shoort naar het kamp brengt om de mannen angst aan te jagen en er achter te komen of ze plannen maken om de vrouwelijke Hain aan te vallen. Een vrouw had een man horen zeggen: ‘Wie weet of dit echt een geestelijke verschijning is? Misschien heeft een van onze vrouwen zichzelf gewoon geverfd en geloven we daarom dat ze een Shoort is!’. Uit deze tekst wordt duidelijk dat men geloofde dat de geesten echt bestonden, onafhankelijk van hun representatie in de Hain; de mannen verweten de vrouwen niet dat ze geestelijke wezens hadden uitgevonden, maar dat ze deden alsof de geesten verschenen door zich te verkleden.

De tweedeling tussen sacrale en profane elementen van de Hain is analoog aan het rituele en theatrale karakter.

De rituele kant kan worden gedefinieerd als symbolische optredens voor religieuze of heilige gebruike en het theater als gelijkwaardige beelden voor profane toepassingen. De clown Ulen bijvoorbeeld, kan worden gezien als een theatraal figuur; hij is enkel het object van amusement en heeft geen rituele of heilige waarde. Xalpen (de vrouwelijke figuur uit de onderwereld) daarentegen is bijna puur ritueel van aard: ze is de enige Hoowin die als standbeeld wordt neergezet, niet als menselijke verschijning. Het is een vreselijke geest, opgestaan uit de ingewanden van de aarde, klaar om de mensen te verslinden.

De enige Hoowin met wie je Xalpen kan vergelijken is Kreeh (Maan) en er zijn aanwijzingen dat de twee figuren samen één identiteit vormen. De liederen voor Xalpen en voor Kreeh zijn vrijwel identiek. Beide vrouwen dreigen het volk te doden en op te eten. Verder komen in de samenkomst van Xalpen en Kreeh verschillende tegenstellingen samen: aarde (Xalpen) en hemel (Kreeh), getrouwd (Xalpen) en gescheiden (Kreeh), vrouwenhaat (Xalpen) en vrouwenliefde (Kreeh). Je kunt de twee dus zien als gespiegelde afbeeldingen van hetzelfde symbool: een angstaanjagend vrouwelijk figuur die de kracht heeft om de mensheid te vernietigen. De complementariteit versterkt ook de geloofwaardigheid van het symbool, omdat het een groot semantisch veld van betekenissen en connotaties omvat. Bijvoorbeeld: terwijl de mannen een Hain organiseerden vanuit de krachten van Xalpen, waren ze vol van angst voor Xalpen’s andere zelf, Kreeh. Vanuit het oogpunt van de mannen kunnen de Xalpen-scènes worden uitgelegd als middel om de dreigende aspecten van het symbool te beheersen. Kreeh was ontsnapt aan de mannen, maar Xalpen hadden ze in hun controle (althans, voor de duur van de Hain-ceremonie).

Het Xalpen-Kreeh figuur staat centraal in het religieuze complex van de Selk’nam. Beiden beelden de destructieve kracht van de vrouwelijke kracht uit die de patriarchale samenleving kan bedreigen. De maan was zelfs in staat om het hele heelal te vernietigen. Als zij overwicht zou krijgen, zou haar wraak zich als eerste op Krren (Zon) richten. Was hij vernietigd, dan zou er geen daglicht meer zijn. Geen wereld kan bestaan zonder zon en het firmament zou open breken. De rituelen gewijd aan Xalpen en Kreeh hadden een dialectische doelstelling: ze transformeerden de mythische vrouwelijke kracht in een geloofwaardig en onmiddellijk gevaar van vernietiging, en verenigden daarmee de gehele samenleving in hun zelfverdediging.

De hain als symbolische vertelling
De Hain is vergelijkbaar met het theater in onze maatschappij als een seculiere voorstelling, maar ook op een psychologisch niveau in termen van de relatie tussen publiek en acteurs. Geen theaterpubliek is volledig passief. Het applaus, de lach of tranen van het publiek in het moderne theater zijn manifestaties van de inleving van het publiek, in de ‘mythologie’ van de scene. Als het publiek geraakt is, hebben ze het drama als werkelijk ervaren, op welk bewustzijnsniveau dit zich ook mag afspelen. In het geval van de mannelijke Hain is het de vraag of de vrouwen (het publiek) door hadden dat de Hain van de mannen een ‘hoax’ was: ze waren zich ontegenzeggelijk bewust van het geheim van de mannen, maar uit angst voor agressie waren ze uiterst voorzichtig in het benoemen van de hoax. Bovendien wisten ze dat de geesten Xalpen en Kreeh niet enkel de mannen waren in het theaterstuk, maar als geesten ook echt bestonden. Zo kwam de psychologie van het theater samen met de zekerheid van religieus geloof in het bovennatuurlijke; het profane versmolt met het sacrale.

De Hain symboliseert de dagelijkse ervaringen van de vrouwen. De vrouwen van de Selk’nam leefden in een door mannen gedomineerde (patriachale) samenleving waarin de mannelijke autoriteit echt was, maar zich nauwelijks manifesteerde in geweld. De vrouwen waren niet enkel slachtoffer en de mannen niet enkel officieren; ze waren getrouwden en vrienden.

Toch bleken discontinuïteiten tussen de geslachten op symbolisch niveau onverenigbaar. De mannen waren de zon (Krren), de vrouwen de maan (Kreeh). De krachten van de dag werden tegen de krachten van de nacht gesteld: warme, levensgevende krachten tegenover koude, kale, dunne stralen. Maar als de (vrouwelijke) maankrachten zo vernietigend waren, hoe kon het dan zijn dat alleen vrouwen nieuw leven konden schenken en het nieuwe leven konden voeden?

Dit dilemma wordt geïllustreerd door de symbolische assimilatie van de mannen tot de vrouwen, door de stelling dat mannen ‘onzichtbare’ menstruaties hadden aan de ene kant en een verheffing van hun mannelijke geslacht aan de andere kant. Het onopgeloste probleem van de vrouwelijkheid komt ook duidelijk naar voren in de tegengestelde beschrijvingen van Xalpen en Kreeh, waarin ze aan de ene kant als kannibalistisch monster wordt neergezet maar tegelijkertijd de moeder is van een prachtig kind (Xalpen kreeg de baby K’terrnen en Kreeh de dochter Tamtam).

Vrouwen, gesymboliseerd door Xalpen en Kreeh, zijn tegelijkertijd destructief en scheppend. Zodra dit soort ideologische bouwstenen waren toegelaten werd het een noodzakelijkheid dat vrouwen onderdanig bleven: opdat ze nooit meer zouden overwinnen. Als een vrouw ongehoorzaam was tegen haar echtgenoot zou haar gedrag immers kunnen worden overgenomen door andere vrouwen en kon de latente kwaliteit van Kreeh, die in iedere vrouw schuilt, momentum krijgen en leiden tot een algehele opstand. Aangestuurd door Kreeh zouden de vrouwen de matriarchie kunnen herstellen. Kortom: vrouwen werden door de mannen beschouwd als een bedreiging voor de samenleving, in termen van de machtsverhoudingen in de familiecode.

Als sjamaan was de vrouw geen bedreiging, want ze kon niet ‘doden’ of ziektes veroorzaken. Een vrouwelijke sjamaan kon mensen genezen en deelnemen aan de mystieke achterwereld, het rijk van de shamanistische macht. Maar deze activiteit moest niet leiden tot een tastbare autoriteit over haar man of andere mannen. De vrouw werd ook niet als wijsaard gevreesd omdat ze vermoedelijk onwetend was van de gevaarlijke kennis van de oude matriarchie. Het was geen kwestie van prestige die weg gehouden zou moeten worden van de vrouw. Een vrouw mocht best prestige hebben, zolang die maar niet inging tegen de verhouding met haar man; zo lang ze maar niet de rol van Kreeh op zich zou nemen.

Egalitaire én patriarchale samenleving
De seksuele ongelijkheid binnen de Selk’nam gemeenschap heeft tot een anti-vrouwelijke ideologie geleid. Deze dynamiek was boven alles economisch van aard. De relaties tot de productie (die in dit verband de jacht, het verzamelen en de visserij omvatte, alsmede het maken van gereedschap) waren gemeenschappelijk doch hiërarchisch georganiseerd. Gemeenschappelijk in de zin dat de gehele populatie deelnam en bijdroeg aan de samenleving. Maar tegelijkertijd was de productie genderbepaald: alleen mannen waren geschoold in de technieken van de grote jacht en het maken van gereedschap. Vrouwen waren daarmee afhankelijk van de man voor voedsel, vlees, kleding en onderdak.

In de inclusieve, maar gendergelaagde organisatie van de productieketen ligt een fundamentele tegenstrijdigheid: de maatschappij was zowel egalitair (strevend naar gelijkheid) als patriarchaal (mannelijke heerschappij). Deze tegenstrijdige krachten karakteriseerden de dynamiek van de Selk’nam en vormden als zodanig een radicale tegenstrijdigheid die in de ideologie op een of andere manier moest worden gerechtvaardigd.

Bron: ‘Drama and power in a hunting society – The Selk’nam of Tierra del Fuego’ van Anne Chapman


De Selk’nam kunnen worden gezien als een klassiek voorbeeld van een traditionele jagers-verzamelaars cultuur; rijk, levendig en perfect aangesloten op de natuurlijke omgeving.