Het gangetje

Home of the Light – Blog 6 (not available in English)

Ik was en jaar of tien en woonde met mijn ouders, broers en zusje en rustige en dergelijke middenstandswijk in Haarlem. In de herfst verzamelden we soms vuilniszakken vol bladeren en strooiden die dan uit op de stoep voor ons huis, zodat we er met volle kracht in konden springen en konden wegzakken in de gevallen bruine kleuren van de bomen.
Na schooltijd ging ik met regelmaat naar het schoolplein aan de overkant van het water, om te voetballen met een broer, een schoolvriend of een muur van het gebouw. Ik trapte dan vaak door tot het donker werd. Meestal wandelde ik vervolgens over de brug terug naar de stoep voor mijn huis, waar ik het warme licht uit de vertrouwde woonkamer zag schijnen.

Woonkamers zijn denk ik het mooiste in de winter, als je buiten in de ijzige kou op de stoep staat en naar binnen kijkt. Je hoort de stem van je moeder niet, je ziet je jongste broertje niet spelen met de treintjes, je weet niet welke Donald Duck je oudste broer aan het lezen is en of je vader vandaag nasi, pasta of spinazie-taart maakt. Maar juist omdat je al die dingen niet weet maar je wel kan voorstellen hoe het binnen warm is. Hoe je kan bedenken dat je vingers zullen tintelen nadat je je jas hebt uitgetrokken. Hoe je voorziet dat je stilletjes op een hoek van de bank zult kruipen, waar je om je heen kunt kijken; kunt staren tot je aan de bekende tafel geroepen wordt.
Ja, omdat je ergens een gevoel van verlangen hebt, als je daar buiten in de kou staat, ja daarom is dat moment daar buiten, waar je alleen staat, het mooist. Je adem drukt zich uit in kleine grijze wolkjes, je knieën knikken omdat je spieren de kou niet kunnen controleren. Eén voet leunt op de halfzachte bal, je handen hebben zich teruggetrokken in de mouwen van je bezwete jas. En je kijkt. Je kijkt naar binnen vanuit de vroege, stille nacht.

Zoals ik vandaag de dat kan uitzien naar die zondag over enkele weken, waarin ik zal wandelen met een vriend of vriendin en de hele dag zal verkleumen van de kou. En niet de thee onder de deken na afloop van de tocht zal het schoonst zijn. Nee, het feit dat ik nu al – terwijl de wandelafspraak nog niet eens is gemaakt, mij kan inbeelden hoe die overgang van de getrotseerde bijtende winterlucht naar de omhullende woonkamer een gevoel geeft van, tja, laat ik het maar vitale energie voor het leven noemen, ja dat gevoel is het schoonst.

Soms koos ik er op de stoep dan voor om niet door de voordeur met het touwtje uit de brievenbus naar binnen te gaan, maar een stukje verderop te lopen naar het gangetje. Ja, het pad achterom naar de schuur en de achtertuin van mijn toenmalig ouderlijk huis noemden we het gangetje. Overdag was dit best een gewoon gangetje. Ik vermaakte me vaak met het plukken van onkruid tussen de tegels, of het maken van de 90 graden bocht in het midden van het gangetje zonder van de fiets te hoeven stappen.
Het gangetje werd omkaderd door de poort naar de straat aan de ene kant en de deur van de schuur aan de andere kant, zo’n 30 met verderop. Overdag kon ik met een gerust hart de bloedserieuze warming-up verzorgen voor mijn voetbalwedstrijd tegen de rode muur van het schoolplein.

Maar als het donker was veranderde het gangetje van gedaante. Ik heb honderden keren in het donker getrotseerd, maar het werd nooit minder spannend. Zodra ik de deur van de poort achter mij op slot had gedaan kwam ik in een andere wereld terecht. Achteraf zou ik dit de wereld van de open zintuigen noemen. Het was er aardedonker. Ja, zo donker als de aarde. De wind die langs de schuttingen klom: het werd mijn serieuze opponent. De druppels onderaan de kapotte regenpijp: ze galmden langs de tegels naar mij toe. Het ritselen van een struik werd een potentiële roversbende. Een losliggende tegel kon mij van schik doen verlammen. De enorm glazen ogen van de zwarte kat van de overburen spookten soms nog uren door mijn hoofd.
Honderden keren ging mijn hart voor enkele minuten op dubbele snelheid kloppen en honderden keren zakte mijn adem weer als er geen crimineel in de schuur bleek te zitten nadat ik het lichtknopje had gevonden. En zo leerde ik, denk ik, iedere winteravond opnieuw om de wereld van de open zintuigen te betreden.

Welke wereld bedoel ik dan? Ik denk dat ik de wereld van het niets bedoel. Als ik niet zag, vrijwel niets hoorde en geen mensen om mij heen had staan, dan leek het wel of de kleine wereld van overdag een reusachtige wereld werd, die mij kon overvallen op onverwachte momenten, in de uren van de nacht. Dat leverde een spanning op die ik positieve, verslavende angst wil noemen. Een heerlijke angst voor een lege, onzichtbare wereld.

Afgelopen dinsdag, na de repetitie met een van de solisten ensembles van JIP9, realiseerde ik me dat die angst nog steeds wel bestaat, maar een stukje minder heerlijk is geworden. Ik werkte de hele dag. Tijdens mijn pauzes kletste ik met studenten en collega’s. Tijdens het avondeten leerde ik de Letse taal spreken en vergat daardoor te eten. Na de avondrepetitie wandelde ik een poosje en merkte ik dat ik tegenzin had om naar huis te gaan. Eenmaal thuisgekomen wilde ik onmiddellijk NPO1 aan zetten, om de naderende leegte maar vast te vullen. De stream werkte niet dus ging ik maar in bed liggen met de radio aan.
Kortom, ik deed er alles aan om het moment uit te stellen dat ik alleen zou zijn met niets. Het leek wel alsof ik de hele dag in woonkamers had geleefd en niet meer naar buiten wilde gaan om vanuit de koude, stille, donkere wereld te kijken hoe die woonkamers er vanaf daar uitzagen.

Ik begon me af te vragen in hoeverre we vandaag de dag nog gelegenheid krijgen en nemen om in het gangetje te lopen, in de lege wereld van de open zintuigen, waar alles reusachtig is. Ik bemerk bij mezelf de neiging om ieder moment van niets in te vullen met iets. Met een telefoon, met een praatprogramma, met een gesprek, met een laptop, met wat dan ook dat mij van beelden en geluiden kan voorzien. Zo blijven de zintuigen klein en word ik niet overvallen door de grootte van de binnenwereld. Want dat maakt het gangetje vroeger zo groot; de fantasie over alles wat er potentieel zou kunnen zijn, omdat ik niet kon zien en horen wat er in werkelijkheid was.

Zo halverwege het project van JIP9 – Home of the Light zijn we onvermijdelijk aanbeland in de fase van het donkere gangetje. We weten hoe de woonkamer eruit ziet: we weten hoe de muziek zou moeten klinken, want alle muziek hebben we al gezongen en ervaren. Maar opmerkelijk genoeg kan dat juist belemmerend werken in het zingen. Als je weet dat de muziek op een bepaalde manier moet klinken, maar het klinkt in de repetitie toch anders, dan maakt je als zanger dikwijls onzeker. Je denkt dan dat je als zanger, of als koor, achter de feiten aanloopt en tegenvalt ten opzichte van het beeld dat je je in eerste instantie van de muziek, het koor en jezelf had. Waar het dan op aan komt is dat je als collectief het donkere gangetje neemt, en dat iedereen dat voor zichzelf doet. Dat betekent dat je even vergeet ‘hoe het had moeten klinken’ en opnieuw durft af te tasten wat er gebeurt als je je zintuigen echt open zet. Dat je struikelt over loszittende noten, dat je aftast hoe jouw klank is in het geheel, zonder dat je dat geheel kunt overzien.

Ik denk dat ik in het gangetje telkens weer oefende om moed te verzamelen. Moedig genoeg te zijn om door te zetten in het duister, in dat wat je niet kunt overzien. In de muziek is dat abstract. Als je als koor de noten kent, weet je vaak nog niets van de ziel, de eigenheid van de muziek. Als je dan schijnbaar veilig in de ‘woonkamer’ van de noten die je kent blijft zitten, kan dat nerveus maken. De ziel van de muziek leren aftasten vraagt om zingen in het donker. Terwijl je niet weet toch proberen. Volle klank maken, fouten laten ontstaan, ontsporen. Terwijl je steeds vergeet hoe het ook alweer precies klinkt je toch helemaal in de muziek storten, omdat je nu eenmaal weet dat je kunt vertrouwen op het geheugen van de muziek zelf. De muziek zelf heeft een geheugen.

Als je niet begrijpt wat ik daarmee bedoel, kijk dan eens naar onderstaand fragment van Pauw van dinsdagavond. Louis van Dijk, een bekende jazzpianist, zit aan tafel in een uitzending over Alzheimer. De hele uitzending is indrukwekkend, maar bereikt een poëtisch hoogtepunt als Louis piano speelt. Hij heeft dementie en moeite om emoties af te stemmen op de omgeving. Bij FTD verlies je empathie, zo klinkt het in de uitzending.
Maar dan begint hij te vertellen over zijn muziek. ‘Improviseren is aan de ene kant proberen te vallen zonder valnet en aan de andere kant is het alsof je in een zoevende auto over een lange weg in Amerika rijdt. En… het gaat altijd goed.

Van Dijk speelt het werk Hoop, geïnspireerd op een Franse man die in z’n eentje al veertig jaar lang werkt aan een rozentuin. Als hij speelt bewijst hij dat alle emotie, alle hoop, alle verdriet, al het leven in de muziek zelf zitten. De muziek draagt het geheugen van wat warm is, van wat leeft. Het is aan ons om te durven het gangetje te betreden, ons in kwetsbaarheid open te stellen zodat we mee kunnen gaan in de abstracte, onzichtbare emoties van muziek.

_________________

Op 15, 16, 22 en 23 december geeft Kamerkoor JIP concerten over de viering van de geboorte van het licht in de duisternis, met muziek van louter vrouwelijke componisten, samen met celliste Emma Kroon en beeldend kunstenaar Barbara Ilse Petzold Horna. In twaalf blogs onderzoek ik wat de abstracte wereld van de nacht, de kwaliteiten van midwinter en kerst en vrouwelijkheid voor mij betekenen, en reageer ik op de teksten die klinken in de muziek.