La última luna del primer sol

SATB Choir, SSMezA solo ensemble

In november 2016 werd door Kamerkoor JIP een geheel nieuwe compositie uitgevoerd voor koor in wisselende bezettingen, solisten en gitaar: Requiem de la Luz. Een requiem in vier delen, met een libretto van de Chileense dichter Nícolas Barría González, op muziek gezet door Bjarni Guðmundsson, Diederik ten Böhmer, Jonathan Ploeg en mijzelf.

In het Requiem van het Licht staat de dood van de zon en de cyclus van het leven centraal. De dichter geeft in de vier delen woordelijk vorm aan de seizoenen, de oorsprong van het universum, het ontstaan van het leven op aarde, de ontwikkeling van onze zintuigen en de dood van de zon. De tekst moedigt aan om je emotioneel bewust te worden van het leven en de verbanden tussen de verschillende onderdelen van de natuur en onszelf.

Het libretto en de composities reageren op poëtische en abstracte wijze op het zorgelijke tijdperk van het Antropoceen, waarbij onder andere klimaatverandering en massale sterfte van diersoorten een zware stempel drukken op de toekomst van de mensheid. Met het Requiem de la Luz probeerden wij als jonge kunstenaars uitdrukking te geven aan existentiële vragen en zorgen voor moeder aarde.

Ik schreef voor dit Requiem het tweede deel;

La ultima luna del primer sol – Sol, Tierra y Luna

Nederlandse vertaling:

Zelfs al blijf ik alleen, al kan niemand ooit zien wat ik zie, of mijn gebroken, onmogelijke, eeuwige kliffen aanschouwen; het zielelichaam van het universum bestaat en vertelt jou:

Ik ben het enige couplet en pas toen ik begon te ademen met andere longen, begreep ik de ernst in de hartslag van de zon, in haar beweging. Ik kon mijzelf voelen, ik kon zijn. Ik leerde te schrijven met magma en het bladgroen te lezen. Onwetend van de huemules (Chileens hert), raakten mijn wolven verloren en ontwaakten zij de koude honden. De kou verraste de rokende apen. Na een grote groene wolk van rook verviel in hen de wonderbaarlijke drank van het zicht en genazen we van het lachen – bevroren van angst, maar kijkend naar onszelf. De kater van het dronkenschap was het liefhebben van de dubbele zeldzaamheid van onze wil, om het in twijfel trekken van de gezondheid van het firmament.

Zelfs als ik alleen blijf, hoewel deze handvol eeuwen door niemand zijn gezien, bij de laatste adem van de flora en fauna eis ik in haar de controle – van wat ooit voelde – te verliezen. Want als we hier kwamen om te voelen, en we met ons lichaam de erotiek van de kever en de magnolia kunnen reproduceren, de kever en de magnolia, dan redden we onszelf, oog in oog, samen de oorsprong voelend van de liefde en de tweetalige seksualiteit van insecten en planten:

Want het was niet de hand, of de bloem, of het vuur, dat zorgde voor het natuurlijk negatief, noch de gloed van de blauwe bomen, noch de muzikale placenta van de walvis, of de eerste melodie van de trommelende lava. Evenmin was het de kus van de vulkaan, de astronomische zeeën, noch de ernstige relatie met de zon of de groene ritmes van de eerste longen.

DE LIEFDE, de liefde begon in het gekreun van de maan, in haar lokend orgasme, alles vrouwelijk.